Toos wordt als kind door haar moeder geslagen, emotioneel verwaarloosd en de straat op gestuurd. Haar vader, van wie ze meer liefde ontvangt, overlijdt als ze achttien is. Van haar moeder krijgt ze dan te horen: ‘ik had je nooit willen krijgen’. Toos vlucht het huis uit en komt in een kraakpand terecht.
Daar ontmoet ze ‘de liefde van haar leven’. Ze vinden een flatje, een baan en ze krijgen een kind. De dochter is acht maanden als de vader ervandoor gaat en het spaargeld meeneemt.
Toos gaat cocaïne gebruiken en verhandelen, ze verliest haar baan en haar dochter wordt uit huis geplaatst. Niet veel later wordt ze, wegens overlast, uit haar huis gezet en ze belandt op straat. Na een aantal jaren wordt Toos opgenomen in een begeleid wonen project, waar ze haar leven weer leert te organiseren. Ze blijft er ruim twee jaar en krijgt een flatje toegewezen waar ze nu nog steeds woont met haar dochter.
Toos is al vele jaren ‘clean’, ze werkt als ervaringsdeskundige en als gezinsbegeleider bij probleemgezinnen. Ze kookt voor daklozen en bij een daklozenuitzendbureau stuurt ze een aantal werkkrachten aan. Toos is aangesloten bij een kerk, waar ze veel steun vindt. Toos: ‘ik mag nu mijn pijn en verdriet teruggeven aan God’.
terug...